Kleine-ondernemersregeling (KOR) vanaf 2020

BTW (Omzetbelasting)

Een nieuwe kleine-ondernemersregeling voor de BTW per 1 januari 2020

Inleiding
De huidige kleine-ondernemersregeling (KOR) voor de BTW komt per 1 januari 2020 te vervallen. Weliswaar komt er  een nieuwe regeling voor in de plaats, maar voor veel zogeheten ‘kleine onder­nemers’ zal dat een behoorlijke verslechtering betekenen ten opzichte van de huidige situatie. De benaming “Wet modernisering kleineondernemersregeling” dekt wat ons betreft de lading dan ook niet. In deze nieuwsbrief leggen we uit hoe die nieuwe regeling eruit komt te zien.

Huidige regeling
Over de omzet “in het economisch verkeer” is iedere ondernemer aan de belastingdienst omzet­belasting oftewel BTW verschuldigd: meestal is dit 21%, soms 9%. Maar de BTW die een ondernemer aan andere ondernemers verschuldigd is (de “voorbelasting”) mag daarvan worden afgetrokken. En dat is ook logisch, immers dat BTW-bedrag wordt op zijn of haar beurt door die andere ondernemer al aan de belastingdienst afgedragen. Dit leidt dus, heel erg versimpeld, tot het volgende schema:

               
               
  ONDERNEMER A:            
  factureert aan zijn/haar klanten  € 30.000,00          
  21% BTW hierover is  €   6.300,00   heeft aan BTW gefactureerd  €   6.300,00    
  de klanten moeten betalen  € 36.300,00   heeft aan BTW uitgegeven  €   3.990,00    
        draagt af aan de belastingdienst  €   2.310,00    
               
  ONDERNEMER B:            
  factureert aan ondernemer A  € 19.000,00          
  21% BTW hierover is  €   3.990,00   heeft aan BTW gefactureerd  €   3.990,00    
  ondernemer A betaalt aan B  € 22.990,00   heeft aan BTW uitgegeven  €   1.890,00    
        draagt af aan de belastingdienst  €   2.100,00    
               
  ONDERNEMER C:            
  factureert aan ondernemer B  €   9.000,00          
  21% BTW hierover is  €   1.890,00   heeft aan BTW gefactureerd  €   1.890,00    
  ondernemer B betaalt aan C  € 10.890,00   heeft aan BTW uitgegeven  €            –      
        draagt af aan de belastingdienst  €   1.890,00    
               
               

Iedere dag opnieuw hebben alle ondernemers met dit systeem te maken, en eens per maand, eens per kwartaal of eenmaal per jaar moeten zij daarvan aangifte doen bij de belastingdienst. Een af te dragen bedrag moet op tijd op de bankrekening van de belastingdienst staan, en als er een keer een teruggave uit rolt, bijvoorbeeld vanwege een grote investering, wordt het BTW-verschil over die periode door de belastingdienst aan de ondernemer uitgekeerd.
De huidige kleine-ondernemersregeling houdt in dat een ondernemer die, berekend over een heel kalenderjaar, minder dan €  1.345,= BTW hoeft af dragen dit bedrag cadeau krijgt van de belasting­dienst: het hoeft niet te worden afgedragen en kan beschouwd worden als een extraatje. Zit dit bedrag tussen de €  1.345,= en de €  1.883,= dan moet een steeds groter wordend deel daarvan wél worden afgedragen: het cadeautje wordt snel kleiner. En een ondernemer die over een heel kalenderjaar meer dan €  1.883,= moet afdragen is dat bedrag volledig verschuldigd. Voorbeelden:

               
               
  ONDERNEMER D (geen kleine-ondernemersregeling want te hoog af te dragen bedrag):    
  factureert aan zijn/haar klanten  € 13.000,00          
  21% BTW hierover is  €   2.730,00   heeft aan BTW gefactureerd  €   2.730,00    
  de klanten moeten betalen  € 15.730,00   heeft aan BTW uitgegeven  €     700,00    
        draagt af aan de belastingdienst  €   2.030,00    
               
               
               
  ONDERNEMER E (volledige kleine-ondernemersregeling):      
  factureert aan zijn/haar klanten  € 12.000,00          
  21% BTW hierover is  €   2.520,00   heeft aan BTW gefactureerd  €   2.520,00    
  de klanten moeten betalen  € 14.520,00   heeft aan BTW uitgegeven  €   1.200,00    
           €   1.320,00    
        kleine-ondernemersregeling  €   1.320,00    
        draagt af aan de belastingdienst  €            –      
               
               
               
  ONDERNEMER F (gedeeltelijke kleine-ondernemersregeling):      
  factureert aan zijn/haar klanten  € 10.000,00          
  21% BTW hierover is  €   2.100,00   heeft aan BTW gefactureerd  €   2.100,00    
  de klanten moeten betalen  € 12.100,00   heeft aan BTW uitgegeven  €     500,00    
           €   1.600,00    
        kleine-ondernemersregeling  €     708,00    
        draagt af aan de belastingdienst  €     892,00    
               

Nieuwe regeling
De nieuwe regeling, die per 1 januari 2020 in gaat en officieel de naam Omzetgerelateerde Vrijstelling Omzetbelasting (OVOB) draagt, ziet er heel anders uit omdat daarbij uitsluitend het bedrag van de omzet (voorover die afkomstig is van activiteiten waarover normaalgesproken BTW verschuldigd is) een rol speelt. Wie binnen een kalenderjaar minder dan €  20.000,= omzet behaalt kan op verzoek volledig buiten het BTW-systeem blijven, wie een hoger bedrag aan jaaromzet blijkt te behalen is verplicht om ieder kwartaal of zelfs iedere maand aangifte te doen en met de belasting­dienst af te rekenen. Voorbeelden:

             
             
  ONDERNEMER A (vrijstellingsregeling niet toegestaan vanwege te hoge omzet):  
  factureert aan zijn/haar klanten  € 30.000,00   heeft aan BTW gefactureerd  €   6.300,00  
  21% BTW hierover is  €   6.300,00   mag hier de BTW die is uitgege-    
  de klanten moeten betalen  € 36.300,00   ven van aftrekken, en draagt het    
        saldo af aan de belastingdienst    
  klanten van deze ondernemer die zelf ook        
  BTW-plichtig ondernemer zijn mogen de        
  betaalde BTW verrekenen          
             
             
             
  ONDERNEMER B (zonder vrijstellingsregeling):    
  factureert aan zijn/haar klanten  €   9.000,00   heeft aan BTW gefactureerd  €   1.890,00  
  21% BTW hierover is  €   1.890,00   mag hier de BTW die is uitgege-    
  de klanten moeten betalen  € 10.890,00   ven van aftrekken, en draagt het    
        saldo af aan de belastingdienst    
  klanten van deze ondernemer die zelf ook        
  BTW-plichtig ondernemer zijn mogen de        
  betaalde BTW verrekenen          
             
             
             
  ONDERNEMER C (met vrijstellingsregeling):      
  factureert aan zijn/haar klanten  € 10.890,00   hoeft geen BTW-aangifte te doen maar kan de  
  maar mag geen apart BTW-bedrag   BTW die door hem/haar is uitgegeven dus ook  
  op zijn/haar facturen vermelden     niet met de belastingdienst verrekenen  
             
  omdat er geen apart BTW-bedrag vermeld staat      
  kunnen klanten die zelf wel BTW-plichtig onder-      
  nemer zijn van deze factuur geen BTW verrekenen    
             
             

Keuze maken
– Of het verstandig is om met ingang van 2020 te kiezen voor de vrijstelling zal per onder­nemer ver­schillend zijn. De aard van het klantenbestand speelt daarin een grote rol, immers wie vrijwel uit­sluitend particulieren als klant heeft en een omzet van minder €  20.000,= kan zich wat werk besparen en een financieel voordeel behalen. Maar als het klantenbestand geheel of gedeeltelijk uit BTW-plichtige onder­nemers bestaat – die immers de mogelijkheid hebben om de door hun betaalde BTW te verrekenen met hun eigen afdracht – zal het vaak niet raadzaam zijn om te kiezen voor de vrijstelling. Maatwerk dus, waarbij overleg met een boekhouder/belastingconsulent vaak onmisbaar zal blijken. De uitkomst daarvan zal in de meeste gevallen echter zijn dat het beter is om geen gebruik te maken van de vrijstelling.
– Wie per 1 januari 2020 wel gebruik wil maken van de vrijstelling dient deze uiterlijk op 20 november 2019 aan te vragen. Maar eerder kan ook, want op de website van de belasting­dienst is inmiddels, in de afdeling Programma’s en formulieren, de Melding omzetbelasting kleineondernemersregeling te vinden. Vanaf die datum kan de regeling per  de eerste van ieder kalenderkwartaal ingaan, mits de aanvraag minstens vier weken daarvoor is ingediend. De vrij­stelling kan dus ook nooit met terugwerkende kracht worden aangevraagd. Binnen 6 weken na het indienen van de aanvraag krijg je daar van de belastingdienst een reactie op. Is de vrijstelling eenmaal ingegaan dan geldt deze voor 3 jaar.
– Wie een vrijstelling heeft maar in de loop van het jaar toch de omzetgrens van € 20.000,= overschrijdt kan vanaf dat moment geen gebruik meer maken van de regeling. De BTW-plicht gaat onmidddellijk in op het moment van overschrijden, maar heeft geen gevolgen voor de daaraan voorafgegane periode. Feitelijk wordt je dan dus van de ene dag op de andere BTW-plichtig, wat natuurlijk nogal wat consequenties kan hebben voor reeds gemaakte financiële afspraken voor daarna.

Nog enkele bijzonderheden
– Als relevante omzet wordt voor deze nieuwe kleine-ondernemersregeling uitsluitend de omzet meegeteld waarover ondernemers normaalgesproken BTW moeten berekenen. Andersgezegd: omzet die niet met BTW belast is speelt geen rol, waarbij je kunt denken aan subsidies, auteursrechten, inkomsten uit muziekles voor leerlingen onder de 21 en nog een aantal in de wet opgesomde ondernemers­activiteiten. Maar ook het verkopen van apparatuur e.d. die je eerder voor je eigen onder­neming in gebruik hebt gehad (de zogeheten “activa”) blijft buiten de berekening voor de omzetgrens van de nieuwe regeling.
– Heb je in een recent jaar apparatuur en dergelijke voor je eigen onderneming gekocht en daarvan toentertijd de betaalde BTW in je aangifte verrekend? Dan geldt dat je, wanneer je met ingang van 2020 kiest voor vrijstelling van BTW-plicht, daarvan bij nader inzien een deel aan de belastingdienst zult moeten terugbetalen. Echter in de regeling staat vermeld dat dit pas feitelijk aan de orde is wanneer dit tot een BTW-herziening van € 500,= of meer zou leiden.
– Ondernemers die aankopen doen bij onder­nemers in andere EU-landen betalen daarover momenteel 0% buitenlandse BTW, maar moeten over het aankoopbedrag via hun eigen BTW-aangifte wel alsnog (Nederlandse) BTW berekenen en afdragen. Voor ondernemers die hebben gekozen voor de nieuwe vrijstellingsregeling gaat een grens van € 10.000,= gelden. Pas wanneer een vrijgestelde ondernemer in één jaar voor meer dan dat bedrag aankopen doet bij ondernemers in andere EU-landen worden deze beschouwd als zogeheten intracommunautaire goederenverwervingen en dienen deze conform de huidige systematiek te worden afgehandeld.
– Een andere verandering is dat de nieuwe kleine-ondernemersregeling ook mag worden toegepast door rechtspersonen (stichtingen, verenigingen, BV’s). Dat is een verruiming, want de huidige regeling geldt alleen voor eenmanszaken, vennootschappen onder firma en maatschappen.
– De nieuwe kleine-ondernemersregeling wordt trouwens in diverse andere Europese landen al jaren­lang gehanteerd, maar Nederland is met een omzetgrens van €  20.000,= wel erg krenterig. De reden daarvoor is het uitgangspunt dat deze nieuwe regeling de schatkist niet meer geld mag kosten dan de vorige. De meeste andere Europese landen met een vergelijkbare regeling hanteren een hogere omzetgrens, bijvoorbeeld €  30.000,= tot zelf zo’n €  95.000,= . Sommige landen hebben bovendien gekozen voor twee verschillende grensbedragen: een relatief lage grens voor dienstverleners en een hogere voor bedrijven die goederen leveren, omdat zij immers die goederen ook moeten inkopen en de kosten daarvan uiteraard doorberekenen in hun omzet. In Nederland geldt in de nieuwe regeling echter voor beide soorten ondernemers dezelfde omzetgrens van €  20.000,= .
– Voor de inkomstenbelasting heeft deze nieuwe BTW-regeling geen gevolgen: daarvoor moet nog net als voorheen een jaarrekening opgesteld worden of een winstberekening, die je moet invullen in je aangifte inkomstenbelasting.

Vraagtekens
Indien een ondernemer de keuze heeft gemaakt gebruik te maken van de vrijstelling maar in de loop van het jaar toch de omzetgrens van €  20.000,= overschrijdt, en dus prompt BTW-plichtig wordt, zal dat vermoedelijk herhaaldelijk aanleiding geven tot discussie. Immers: hoe bepaal je het exacte moment waarop die BTW-plicht van start gaat? Is dat het moment waarop je de opdracht die dat veroorzaakt aanneemt? Of begint die pas op het moment dat je achteraf je factuur naar de opdracht­gever stuurt? Dit heeft immers ook gevolgen voor de ingangdatum van de periode waarover je de door jou betaalde BTW van je BTW-afdracht mag aftrekken. En hoe zit het met de BTW op facturen die jij op dat moment nog krijgt van jouw leveran­ciers, maar die betrekking hebben op leveringen of diensten die hebben plaatsgevonden vóór de dag waarop jouw BTW-plicht in ging?

(21-10-2019)