Belaste en vrijgestelde omzet

BTW (Omzetbelasting)

Belaste en vrijgestelde omzet, aftrek van voorbelasting

Belastingheffing
Om een samenleving goed te laten functioneren worden allerlei collectieve voorzieningen getroffen, bijvoorbeeld ten aanzien van onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur en defensie. Maar om de kosten daarvan te bestrijden zijn inkomsten nodig. Belastingheffing is daarvoor het geëigende middel: bij allerlei gebeurtenissen zijn de daarbij betrokken inwoners en bedrijven verplicht een bedrag in de schatkist van het land te storten. In Nederland betreffen dit voornamelijk de Omzetbelasting (BTW) en de Inkomstenbelasting, ook al bestaan er daarnaast nog allerlei andere belastingsoorten.
Voor de BTW kent ons land een laag (9%) tarief voor allerlei eerste levensbehoeften, zoals voeding, en een hoog (21%) tarief voor overige producten en diensten. Maar naast middel voor het genereren van inkomsten voor een land wordt belastingheffing vaak gebruikt als politiek instrument en om menselijk gedrag mee te beïnvloeden. Ook dit zie je in de BTW-wetgeving terug aan het hanteren van verschillende tarieven, waarmee de uiteindelijke prijs van een product of dienst, en daarmee de aantrekkelijkheid voor de consumenten, wordt beïnvloed. Een klassiek voorbeeld hiervan is het BTW-tarief op boeken, dat – in het kader van de leesbevordering – geen 21% maar 9% bedraagt.

En hoewel de BTW uiteindelijk moet worden opgebracht door alle consumenten (de “eindverbruikers”) van goederen en diensten heeft de belastingdienst het incasseren ervan uitbesteed aan de ondernemers, door de BTW te koppelen aan het leveren van “prestaties in het economisch verkeer”.
Hieronder bespreken we vijf varianten van BTW-tarieven die in ons land gangbaar zijn (voor bijzondere situaties worden soms nog andere, ”forfaitaire” percentages gehanteerd, maar die komen in dit bestek dus niet aan bod.)

Tarieven

1. Algemeen (=hoog) tarief: 21% BTW
Het algemene BTW-tarief bedraagt 21% en is feitelijk van toepassing op alle leveringen (van goederen en diensten) die niet expliciet onder één van de andere, gunstigere, percentages vallen. Wanneer je in afwijking van dit algemene tarief een lager percentage toepast of geen BTW berekent moet je daar dus juist wel de juiste argumenten en eventuele bewijzen voor kunnen aanvoeren.

2. Verlaagd tarief: 9% BTW
Bijna alle levensmiddelen vallen onder het verlaagde tarief van 9%, maar voor alcoholhoudende dranken geldt dat niet. Daarentegen hoeft ook over treinkaartjes, water, geneesmiddelen en boeken hoeft maar 9% BTW te worden afgedragen. Sinds 1 januari 2020 geldt dit bovendien voor luisterboeken en de digitale versie van kranten en tijdschriften.
Een uitvoerige en zeer gedetailleerde beschrijving van de leveringen waarop het verlaagde BTW-tarief mag worden toegepast is te vinden in het Besluit Omzetbelasting. Toelichting Tabel 1, dat met enige regelmaat door de belastingdienst aan de actualiteit wordt aangepast.

3. Tarief bij uitvoer: 0% BTW
Worden er goederen of bepaalde diensten geleverd aan een ondernemer in een ander land dan wordt daarover in ons land meestal 0% BTW berekend. In plaats daarvan is er dan sprake van BTW-heffing en eventuele invoerrechten in het land waar de afnemer gevestigd is. Ook in deze gevallen is een goede administratie, zoals douane-documenten waaruit blijkt dat er daadwerkelijk sprake is geweest van uitvoer, van belang.

4. Vrijstelling van BTW
Voor sommige leveringen geldt een vrijstelling van BTW, zoals gezondheidszorg, kinderopvang, onderwijs en uitvaartverzorging. Ook de diensten van componisten en journalisten zijn vrijgesteld.

5. Niet belast met BTW
Onder andere in de kunst- en cultuursector wordt veel moois gerealiseerd met behulp van subsidies. Daarover hoeft in het algemeen geen BTW te worden afgedragen, omdat er in ruil voor die bedragen geen rechtstreekse tegenprestatie aan de subsidieverstrekker wordt geleverd. Dat is trouwens ook het verschil tussen subsidiëring enerzijds en sponsoring anderzijds, waardoor over sponsorinkomsten wel BTW moet worden afgedragen.

Aangifte
De BTW die ondernemers bij hun afnemers incasseren is bestemd voor de belastingdienst. Maar niet het volledige bedrag hoeft te worden afgedragen, omdat een deel ervan wordt doorbetaald aan andere ondernemers. Die zogeheten “voorbelasting” wordt immers al door die andere ondernemer afgedragen, en komt daardoor in mindering op de BTW van de ondernemer die, aan het begin van deze keten, afrekent met de eindverbruiker.
Zo kan het dus ook voorkomen dat een ondernemer in een periode meer BTW aan andere ondernemers betaalt dan er binnen komt van zijn of haar eigen klanten. En in dat geval kan het verschil aan de belastingdienst worden teruggevraagd.
Van een uitzondering op de mogelijkheid om voorbelasting met de belastingdienst te verrekenen is sprake bij ondernemers van wie de omzet is vrijgesteld van BTW: in die gevallen speelt ook de voorbelasting geen rol. Bij de vier andere hierboven genoemde BTW-tarieven, dus ook indien er sprake is van bijvoorbeeld subsidies die niet met BTW belast zijn, is de voorbelasting echter wel verrekenbaar. Maar een addertje onder het gras betreft gratis toegankelijke evenementen: die vallen namelijk buiten de BTW omdat er niet wordt voldaan aan het criterium dat er in ruil voor geld (“in het economisch verkeer”) toegang (de “prestatie”) toegang wordt verleend.
Afhankelijk van de omvang van hun omzet moeten ondernemers ieder jaar, ieder kwartaal of zelfs iedere maand hun BTW-aangifte elektronisch indienen en het daarin zelf berekende bedrag op de bankrekening van de belastingdienst overmaken. Wie deze termijnen overschrijdt krijgt vrijwel onmiddellijk en boete opgelegd.